Boobytraps in het arbeidsrecht

17-4-2019

Op 14 september 2018 oordeelde de Hoge Raad dat een docent in het voortgezet onderwijs bij Stichting Kolom van wie de arbeidsovereenkomst na twee jaar arbeidsongeschiktheid van fulltime werd aangepast naar een dienstverband van 0,5 fte, recht heeft op een transitievergoeding van 50%. Je zou denken dat nu we een half jaar verder zijn, het stof wel zal zijn neergedwarreld. Niets is echter minder waar. De beschikking van de Hoge Raad leidt vooral tot heel veel vragen en onduidelijkheden.

In het arbeidsrecht werd er voorheen vanuit gegaan dat de wettelijke transitievergoeding alleen verschuldigd is in geval van opzegging of ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Volgens de Kolom-uitspraak maakt het in geval van een gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor de aanspraak op de daarbij behorende transitievergoeding niet uit hoe die gedeeltelijke beëindiging tot stand is gekomen. Dit houdt in dat ook bij een gezamenlijk overeengekomen aanpassing van de arbeidsurenomvang, de werknemer in beginsel aanspraak kan doen gelden op een gedeeltelijke transitievergoeding. Dat is nogal wat! Het roept onmiddellijk de vraag op of dan niet gewoon in een vaststellingsovereenkomst te regelen is waar de werknemer wel of niet recht op heeft. Je zou denken van wel, maar vanzelfsprekend is dat niet. Het is niet uit te sluiten dat wanneer in de situatie van een gedeeltelijke beëindiging van het dienstverband in de vaststellingsovereenkomst wordt opgenomen dat de werknemer geen recht heeft op een transitievergoeding en dit vervolgens aan de rechter wordt voorgelegd, de rechter zal oordelen dat de wettelijke regels ten aanzien van de transitievergoeding niet zomaar terzijde kunnen worden geschoven met een vaststellingsovereenkomst.

Om bij een gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst recht te kunnen hebben op een gedeeltelijke transitievergoeding, vindt de Hoge Raad dat het wel om een beëindiging van minstens 20% dient te gaan. Dat roept onmiddellijk de vraag op wat er dan geldt wanneer de werknemer even veel uren blijft werken maar tegen 25% minder loon? En wat wanneer er eerst vier uur worden ingeleverd en een tijdje later nog een keer vier uur?

En hoe zit het eigenlijk met de vervaltermijn?  De vervaltermijn van drie maanden begint volgens de wet pas te lopen wanneer de arbeidsovereenkomst is geëindigd, waarbij de wet op een volledige eindiging lijkt te doelen. Zou dat kunnen betekenen dat de docenten van wie drie jaar geleden de arbeidsovereenkomst na twee jaar arbeidsongeschiktheid is aangepast, nu nog steeds aanspraak kunnen maken op een gedeeltelijke transitievergoeding? Dat zou best wel eens kunnen. Donderdag 11 april jl. heeft de kantonrechter in Limburg beslist dat het tegenwerpen van de vervaltermijn in een dergelijk geval niet redelijk en billijk is.

Met de Kolom-uitspraak is vooral duidelijk geworden dat het arbeidsrecht er met de WWZ bepaald niet eenvoudiger op is geworden. Zo ondertussen zit het arbeidsrecht vol boobytraps. Zonder deskundige begeleiding is een uitglijder zo gemaakt en deze kunnen behoorlijk kostbaar zijn!

Heeft u vragen of behoefte aan deskundig advies? Neem contact op met Herman van Ojen: ojen@gdo.nl of bel (024) 360 87 68.