Duidelijkheid over smartengeld voor politiemensen

3-4-2019

Agenten lopen in de uitvoering van hun werkzaamheden een verhoogd risico op letsel of een (beroeps)ziekte. Dit kan zelfs blijvende invaliditeit tot gevolg hebben. Is dat het geval dan kan een agent bij het korps een aanvraag voor een smartengeldvergoeding indienen. Dit is geregeld in artikel 54a van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), dat verder is uitgewerkt in de Regeling vergoeding beroepsziekten politie en in de Regeling smartengeld dienstongevallen politie.

Invaliditeit
Kort gezegd, het korps moet een deskundige aanwijzen die eerst het invaliditeitspercentage vaststelt. Dit gebeurt nadat redelijkerwijs voorzienbaar is dat de toestand van de agent niet meer zal verbeteren of verslechteren. Bij dienstongevallen gebeurt deze vaststelling uiterlijk twee jaar na het ongeval en bij beroepsziekte gebeurt dat na drie jaar (met de mogelijkheid om bij beroepsziekten deze termijn met twee jaar te verlengen). Aan de hand van het invaliditeitspercentage wordt een uitkeringspercentage vastgesteld.

Het uitkeringspercentage bepaalt vervolgens de hoogte van het smartengeld. Dit gebeurt aan de hand van een maximumbedrag. Voorbeeld: er is sprake van een invaliditeitspercentage van 70%, dan geldt er in beginsel een uitkeringspercentage van 70%. Er wordt dan een bedrag aan smartengeld uitgekeerd ter hoogte van 70% van een vastgesteld maximum bedrag.

Arbeidsongeschiktheid
Een agent kan door dit letsel of beroepsziekte ook arbeidsongeschikt raken. Na verloop van tijd wordt dan door het UWV een arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld. Is dat het geval dan wordt een (tweede) uitkeringspercentage berekend. Dit gebeurt aan de hand van een tabel waarin het arbeidsongeschiktheidspercentage wordt omgezet naar een uitkeringspercentage. Voorbeeld: er is sprake van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65% – 80%, dan geldt op basis van een tabel een uitkeringspercentage van 80%. Er wordt dan een bedrag aan smartengeld uitgekeerd ter hoogte van 80% van het maximumbedrag.

Twee uitkeringspercentages
Indien er dus twee uitkeringspercentages zijn vastgesteld, dan geldt het percentage dat tot de hoogste smartengeldvergoeding leidt. Voorbeeld: er is sprake van een invaliditeitspercentage van 70% én een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65% – 80%, dan geldt een uitkeringspercentage van respectievelijk 70% of (door tussenkomst van een tabel) 80%. In dat geval geldt het hoogste uitkeringspercentage, namelijk 80%. Er wordt dan een bedrag aan smartengeld uitgekeerd ter hoogte van 80% van het maximumbedrag.

Maximumbedrag
Het maximumbedrag is dus belangrijk voor de berekening van de hoogte van het smartengeld. Dit maximumbedrag wordt jaarlijks verhoogd met de consumentenprijsindex. In het jaar 2012 was dit maximumbedrag € 150.000,–, terwijl in 2019 sprake is van een maximumbedrag van € 166.400,–. Een behoorlijk verschil.

Uitspraak Centrale Raad van Beroep
De vraag was echter welk maximumbedrag nu geldt? Is dat het maximumbedrag ten tijde van de schadeveroorzakende gebeurtenis (het ongeval) of het latere moment dat de smartengeldvergoeding wordt toegekend? Tussen het ongeval en het toekennen van het smartengeld kan immers vele jaren zitten, terwijl het maximumbedrag per jaar hoger wordt. Dit kan een verschil van duizenden euro’s zijn.

Het korps vond dat gekeken moest worden naar het eerdere moment, namelijk het moment waarop het letsel of de beroepsziekte is veroorzaakt. Dit leidt dus tot een lagere smartengeldvergoeding. De Centrale Raad van Beroep, de hoogste rechter in ambtenarenzaken, dacht er anders over. Onlangs heeft de Centrale Raad van Beroep een einde gemaakt aan deze discussie. De Centrale Raad van Beroep is hierover volstrekt helder. Het moment dat smartengeld wordt toegekend is hiervoor bepalend. Dit betekent dat voor veel politiemensen het smartengeld hoger uitvalt, dan voorheen het geval zou zijn geweest. Goed nieuws voor politiemensen!

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Wouter Dieks via: Dieks@gdo.nl