GDO advocaten wint proefprocedure tegen de Belastingdienst

De bestuursrechtelijke dwangsom: geen fiscaal loon

Bestuursorganen zijn verplicht om tijdig een beslissing te nemen. Is een bestuursorgaan te laat met beslissen, dan kan een belanghebbende een ingebrekestelling naar het bestuursorgaan zenden. Daarna heeft het bestuursorgaan nog twee weken de gelegenheid om een besluit te nemen. Zijn deze twee weken voorbij en is er nog steeds geen beslissing genomen, dan verbeurt het bestuursorgaan een dwangsom aan deze belanghebbende. Dit is geregeld in de Algemene wet bestuursrecht.

 

Deze dwangsomregeling beoogt dus een financiële prikkel aan bestuursorganen te geven om binnen de geldende beslistermijnen een besluit te nemen. Deze dwangsom kan oplopen tot een bedrag van € 1.260,–.

 

In sommige gevallen is een bestuursorgaan ook een werkgever. Zo is de gemeente werkgever van gemeenteambtenaren, het ministerie van rijksambtenaren en de Nationale Politie van politieambtenaren. Deze ambtenaren kunnen bij hun werkgever een (werkgerelateerd) verzoek indienen of bezwaar maken tegen besluiten die betrekking hebben op hun aanstelling, waarop  het bestuursorgaan tijdig moet beslissen. Ook in die gevallen geldt de bestuursrechtelijke dwangsomregeling en kan dus een dwangsom aan deze ambtenaren worden toegekend als er te laat is beslist.

 

Volgens de Belastingdienst heeft deze dwangsom die aan de ambtenaar wordt betaald, te gelden als fiscaal loon. Kort gezegd, stelt de Belastingdienst zich op het standpunt dat de dwangsom is toegekend in de hoedanigheid van werkgever aan een werknemer. Het ambtenarenprocesrecht is geregeld in de Algemene wet bestuursrecht. In deze wet is ook de dwangsomregeling opgenomen. Volgens de Belastingdienst zou de dwangsom bij ambtenaren voortvloeien uit hun dienstbetrekking.

 

GDO advocaten is door de politievakbond ACP ingeschakeld om hierover een proefprocedure tegen de Belastingdienst te voeren. In deze proefprocedure is door mr. Wouter Dieks van GDO advocaten o.a. aangevoerd dat de bestuursrechtelijke dwangsom niet zozeer voortvloeit uit een dienstbetrekking, maar uit een algemene regeling die voor iedere belanghebbende geldt. Voor deze dwangsomregeling maakt het dus niet uit of een belanghebbende ook een ambtenaar is. Dit is niet relevant. Dit blijkt bovendien uit de wetsgeschiedenis, aldus mr. Dieks.

 

De Belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam stelt GDO advocaten in het gelijk. Volgens het Gerechtshof heeft de wetgever beoogd om de dwangsomregeling voor iedere belanghebbende toe te passen, ongeacht of iemand ook een ambtenaar is. De bestuursrechtelijke dwangsomregeling is een algemene regeling. Het Gerechtshof stelt vast dat de rechtsverhouding van een ambtenaar – die geconfronteerd wordt met een te late beslissing – niet anders is dan die van een willekeurige andere belanghebbende. Dat het ambtenarenprocesrecht is geregeld in de Algemene wet bestuursrecht rechtvaardigt volgens het Gerechtshof geen ander oordeel. Het Gerechtshof heeft dan ook geoordeeld dat bij ambtenaren deze dwangsom niet zozeer voortvloeit uit een dienstbetrekking, waardoor er geen sprake is van fiscaal loon.

 

Volgens het Gerechtshof hoeft ook bij ambtenaren geen belasting over de bestuursrechtelijke dwangsom betaald te worden.

 

Zie Uitspraak Gerechtshof Amsterdam, Belastingkamer d.d. 20 maart 2018, zaaknummer 16/00539