Waarschuwingsplicht aannemer

15-5-2019

Veel bouwgeschillen gaan over de vraag of een aannemer wel of niet zijn waarschuwingsplicht heeft geschonden. Recent heeft de Raad van Arbitrage voor de Bouw geoordeeld in een zaak waarin scheurvorming in een tegelvloer was ontstaan. De aannemer had de tegelvloer niet zelf aangebracht, dat was na de oplevering door een deskundige tegelzetter gedaan. Toch werd hij hoofdelijk aansprakelijk gehouden omdat hij zijn waarschuwingsplicht had geschonden. Aannemer had de opdrachtgever namelijk niet gewaarschuwd dat de dekvloer ongeschikt was voor de beoogde afwerking.

De waarschuwingsplicht voor de aannemer is opgenomen in artikel 7:754 BW en komt ook voor in de UAV en de AVA. Uit het artikel volgt dat de aannemer bij het aangaan van de overeenkomst moet waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht of gebreken die hij kende of redelijkerwijs behoorde te kennen. De waarschuwingsplicht vloeit voort uit de redelijkheid en billijkheid.

Om te bepalen of er sprake is van schending van de waarschuwingsplicht hangt af van de omstandigheden van het geval. Onder meer speelt de mate van deskundigheid van de opdrachtgever een rol. Uit jurisprudentie van de Raad van Arbitrage voor de Bouw kan worden afgeleid dat geen waarschuwingsplicht kan worden aangenomen wanneer er sprake is van een bewuste keuze van de zijde van de opdrachtgever en waarbij eventuele risico’s zijn ingecalculeerd of de situatie dat de aannemer – vanwege de deskundigheid van de opdrachtgever – ervan uit mag gaan dat van zo’n bewuste keuze sprake is. Wanneer er wederzijdse wetenschap is van onjuistheden of gebreken is dat voldoende om géén waarschuwingsplicht van de aannemer aan te nemen. Dit wordt anders wanneer de aannemer over specifieke deskundigheid beschikt (en de opdrachtgever niet) of wanneer aan de aannemer een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

In deze zaak (met nr. 36.146 RvA, d.d. 12 februari 2019) had de aannemer en een ondeskundige opdrachtgever een overeenkomst van aanneming van werk gesloten op grond waarvan de aannemer een nieuwbouwwoning voor opdrachtgever zou realiseren. De technische omschrijving en de tekening waren van de hand van aannemer. In de technische omschrijving was onder meer opgenomen dat alle vertrekken op de grond zouden worden voorzien van een cementdekvloer van 50 mm. In de onderhandelingsfase hadden partijen nog wel gesproken over het aanbrengen van een vloerverwarming door aanneemster. Deze zou aannemer tegen een meerprijs een 70 mm dikke vezel versterkte en gewapende cementdekvloer kunnen aanbrengen. De opdrachtgever heeft daar uiteindelijk van afgezien. Aannemer was er echter van op de hoogte dat de opdrachtgever na de oplevering door derden een vloerverwarming en een natuurstenen vloer zou laten aanbrengen. Hetgeen ook is gebeurd. In opdracht van de (deskundige) tegelzetter heeft een derde sleuven aangebracht in de cementdekvloer en daarna heeft de tegelzetter de tegels geplaatst.

Enkele jaren later constateerde de opdrachtgever scheurvorming in de tegelvloer. Uit het deskundigenonderzoek dat de opdrachtgever heeft laten uitvoeren bleek dat scheuren in de vulnaden tussen de verschillende ribcasettevloerelementen zich konden doorzetten in de ongewapende niet zwevend direct op de elementen aangebrachte dekvloer. Hierdoor was de vloeropbouw niet geschikt voor directe afwerking met een natuursteenvloer. Bij vrijwel alle naden in de vloer waren scheuren opgetreden. De opdrachtgever heeft de aannemer aansprakelijk gesteld. De aannemer heeft betwist aansprakelijk te zijn.

In de procedure heeft de aannemer enkele mogelijke andere oorzaken voor de scheurvorming aangevoerd, maar de arbiter heeft geen van allen reëel geacht. Ook de nabij verrichte heiwerkzaamheden zoals door aannemer gesteld, waren niet de oorzaak van de schade. Als deze al een rol zouden hebben gespeeld, was de scheurvorming nog steeds mogelijk geworden door de vloeropbouw, aldus arbiter.

De arbiter is van oordeel dat de aannemer zijn waarschuwingsplicht heeft geschonden omdat hij wist dat de opdrachtgever na de oplevering van de woning een vloerverwarming in de cementvloer zou laten aanbrengen en hij ook wist dat opdrachtgever die zou laten afwerken met een natuurstenen vloer. Voor de aannemer was bovendien duidelijk dat de overeengekomen niet gewapende niet vrij liggende cementdekvloer van 50 mm op de onderling niet constructief gekoppelde ribcasettevloerelementen ongeschikt was voor het aanbrengen van deze vloer. De arbiter leidde dit mede af uit de reactie van de aannemer op het deskundigenrapport. Daarin had de aannemer aangegeven dat bij de aangebracht vloerverwarming als basis bewapening met minimaal 70 mm dekvloer geldt. De aannemer wist dus dat de dekvloer niet geschikt was voor de afwerking die de opdrachtgever zou aanbrengen. Door de opdrachtgever hier niet voor te waarschuwen, heeft hij zijn waarschuwingsplicht geschonden.

Hoewel de ingeschakelde tegelzetter ook beter had moeten weten en het nodige is aan te rekenen, wordt de aannemer uiteindelijk (hoofdelijk) volledig aansprakelijk gehouden voor de gevolgen hiervan. De deskundigheid van de tegelzetter wordt niet aan de ondeskundige opdrachtgever toegerekend, er is geen grond voor toerekening van eigen schuld van de opdrachtgever.

Het niet waarschuwen komt de aannemer dan ook duur te staan. De aannemer wordt veroordeeld tot het verrichten van goed en deugdelijk herstel, wat betekent in dit geval betekende dat de hele cementdekvloer van de begane grond integraal moet worden vervangen door een dekvloer met vloerverwarming en een natuurstenen vloerafwerking.

Uit deze uitspraak blijkt maar weer dat een aannemer altijd bedacht moet zijn op fouten in bijvoorbeeld het ontwerp of door het gebruik van verkeerde materialen én de opdrachtgever op tijd moet waarschuwen voor de gevolgen, zeker wanneer dit een ondeskundige partij is. Houdt de aannemer zijn mond, dan kan dat volledige aansprakelijkheid voor de gevolgen daarvan opleveren.

Heeft u vragen of wilt u vrijblijvend advies? Neem gerust contact op met Farah Aarts; aarts@gdo.nl of 024-3608768.