Medische toestanden in de klas

1-12-2019

Op 23 oktober 2019 gaf de Geschillencommissie passend onderwijs een interessant advies waar Herman graag aandacht aan besteed (https://onderwijsgeschillen.nl/uitspraken/geschil-over-verwijdering-leerling-met-astma-verzoek-gegrond-de-doeltreffende-maatregelen). De basisschool had besloten dat een jonge leerling die aan ernstige astma lijdt, met ingang van het schooljaar 2019/2020 niet meer op school onderwijs kon volgen. De school was van oordeel dat er eerst een plan van aanpak moest zijn opgesteld met betrekking tot de ondersteuning aan de betreffende leerling. De leerling had in 2017 op school een zware astma-aanval gehad. Volgens de school was de ondersteuning van deze leerling voor het team te belastend en zou het bovendien spanningen opleveren.

De school meende dat er van een ‘voorgenomen verwijdering’ geen sprake was en dat daarom de commissie niet bevoegd was. Daar ging de commissie niet in mee. Geheel in de lijn van eerdere adviezen van de commissie, achtte de commissie zich bevoegd. Ik stel vast dat inmiddels wel meer dan duidelijk is dat de Geschillencommissie passend onderwijs zich in verwijderingskwesties bevoegd acht, zodra er sprake is van een situatie dat een leerling niet meer tot de school wordt toegelaten om daar onderwijs te volgen. Een formeel verwijderingsbesluit is daar zeker niet voor nodig.

Vervolgens beoordeelde de commissie de kwestie aan de hand van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ). Astma is een chronische ziekte en daarom moet de school, naar gelang de behoefte, doeltreffende aanpassingen verrichten zodat de betreffende leerling op school onderwijs kan volgen, dit tenzij deze aanpassingen een onevenredige belasting vormen voor de school. Een dergelijke aanpassing is niet vereist In het geval er sprake is van een reëel gevaar voor de veiligheid of gezondheid van de leerling of betrokkenen.

De commissie stelde vast dat de materiële aanpassingen (vaker schoonmaken, vloerkleed verwijderen, etc.) alleszins haalbaar waren en geen onevenredige belasting voor de school vormden. Maar de school meende dat er nog een andere aanpassing nodig was: namelijk specialistische hulp die continu nabij is om het risico op een ernstige aanval te beperken. Dit had de school echter niet deugdelijk gemotiveerd en er was ook niet gebleken dat dit werkelijk noodzakelijk was. Het opstellen van een protocol voor het handelen bij benauwdheid en het doornemen hiervan met de BHV’ers, achtte de commissie een (voldoende) doeltreffende maatregel die niet onevenredig belastend was voor de school en dus van de school mocht worden verlangd. En verder stelde de commissie vast dat de betreffende leerling sinds 2017 geen ernstige aanval meer had gehad, zodat niet gezegd kon worden dat er sprake was van een reëel gevaar voor de gezondheid van de betreffende leerling wanneer hij op de school onderwijs zou blijven volgen. De commissie meende dan ook dat de leerling weer tot de school moest worden toegelaten.

Naar ik meen heeft de commissie hier een correct en evenwichtig advies afgegeven, hoewel ik ook zeer wel de onrust bij de school begrijp. Er ligt immers wel heel veel op het bordje van de leerkracht en het onderwijsondersteunend personeel en men zal zeggen dat men voor het onderwijs heeft gekozen en niet voor de verpleging. Niettemin kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat deze procedure niet nodig zou zijn geweest, wanneer de school het hoofd had koel gehouden en vooral met de moeder van de betreffende leerling in overleg was gebleven, ook al liet zij zich vanaf enig moment bijstaan door een advocaat. Ook hier geldt: communiceer, blijf in je professionele rol en houd regie.

Vragen of behoefte aan vrijblijvend advies? Mail met Herman van Ojen (ojen@gdo.nl) of bel (024) 360 87 68.