Ontbinden van een overeenkomst, wanneer kan dat?

11-7-2019

Wanneer partijen over en weer verplichtingen aangaan, zullen zij in het merendeel van de gevallen keurig doen wat er van hen verwacht wordt. Maar waar gewerkt wordt vallen spaanders. De realiteit is dat niet alle contractspartijen zich altijd even goed aan de gemaakte afspraken houden, ondermaats werk of gewoon een slecht product leveren. Op een gegeven moment is dan de maat vol en wil men van die ander en de eigen verplichtingen af. Een van de juridische instrumenten daarvoor is het ontbinden van de overeenkomst.

De vereisten voor ontbinding zijn opgenomen in het eerste lid van artikel 6:265 BW. De tekst lijkt op het eerste gezicht simpel en helder: ‘Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt’. Bij ontbinding moet het gaan om een wederkerige overeenkomst. Daarnaast moet er sprake zijn van verzuim. Voordat dit intreedt moet de andere partij in de gelegenheid worden gesteld om zijn tekortkoming te herstellen. Dat ia anders wanneer de nakoming tijdelijk of blijvend onmogelijk is.

Het gevolg van ontbinding is dat partijen worden bevrijd van hun verbintenissen. Voor zover die al zijn nagekomen blijft de rechtsgrond voor nakoming wel in stand, maar ontstaat voor partijen de verplichting tot ongedaan making van de reeds ontvangen prestaties. Wanneer er al geheel of gedeeltelijk betaald is, ontstaat er dus mogelijk het recht op terugbetaling (van een deel) daarvan.

In theorie is het ontbinden van een overeenkomst heel laagdrempelig, dit kan tenslotte buitengerechtelijk worden gedaan. Men hoeft er dus niet voor naar de rechter. De grond voor gehele of gedeeltelijke ontbinding kan ontstaan in elk geval dat de andere partij zijn verplichtingen niet nakomt. De praktijk is echter dat men er met de buitengerechtelijk ontbinding op zichzelf vaak nog niet is. Want wanneer de andere partij zich niet met de ontbinding kan verenigen, zal hij aanvoeren dat de tekortkoming de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Wanneer dat komt vast te staan kon iemand de overeenkomst niet ontbinden. Dat is het tweede deel van eerste lid van artikel 6:265 BW, de zogenoemde “tenzij-bepaling”.

Over deze tenzij-bepaling bestaat niet geheel verrassend in de praktijk vaak discussie en die discussie wordt in de regel voor de rechter gevoerd. De partij die de overeenkomst heeft ontbonden, wil de ander daar tenslotte aan houden terwijl die ander nu juist de ontbinding betwist. De rechter moet daarover in voorkomend geval oordelen. De Hoge Raad heeft vorig jaar (HR 28 september 2018, Woningstichting Eigen Haard/X) de vereisten voor ontbinding nog eens helder op een rij gezet. In dit arrest heeft hij overwogen dat de tenzij-bepaling niet slechts bij uitzondering of in bijzondere gevallen wordt toegepast. De structuur van de ontbinding is een hoofdregel met een tenzij-bepaling. Een tekortkoming van voldoende gewicht geeft recht op ontbinding. De schuldeiser heeft de stelplicht en de bewijslast van de hoofdregel, de schuldenaar van de tenzij-bepaling. Bij het oordeel over de toepassing van de tenzij-bepaling dient de rechter die over de feiten oordeelt, de wederzijdse belangen tegen elkaar af te wegen, waarbij hij rekening mag (moet) houden met alle omstandigheden van het gegeven geval die hij daarvoor van belang acht. Of ontbinding gerechtvaardigd is blijft dus maatwerk en hangt af van de specifieke omstandigheden.

Dat ontbinding vaak voorkomt blijkt ook uit een recent arrest van de Hoge Raad (14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:928). In deze zaak stonden een aannemer en zijn opdrachtgever tegenover elkaar. Er was een overeenkomst van aanneming van werk gesloten waarbij de aannemer bestratingswerkzaamheden zou uitvoeren op het terrein van de opdrachtgever tegen een prijs van €170.500,- ex btw. Tijdens de uitvoering was meerwerk overeengekomen en ook uitgevoerd, maar partijen waren het niet eens in hoeverre dat het geval was. De opdrachtgever had uit hoofde van de overeenkomst € 185.000,- ex btw betaald, maar het overige meerwerk liet hij onbetaald. Nadat de aannemer failliet was gegaan, droeg de curator de vordering over aan een derde partij, de cessionaris. Deze heeft de opdrachtgever gedagvaard en betaling van het openstaande bedrag gevorderd. De opdrachtgever bleef betaling weigeren omdat hij stelde dat het geleverde werk gebrekkig was. Volgens hem was dat de afwatering niet deugdelijk waardoor er plasvorming op het terrein was ontstaan. De opdrachtgever had de aannemingsovereenkomst daarom op grond van wanprestatie ontbonden en juist een schadevergoeding van de aannemer althans de cessionaris gevorderd. In de procedure diende beoordeeld te worden of de opdrachtgever dit terecht had gedaan.

De rechtbank Midden-Nederland kwam op basis van een door een deskundige uitgevoerd onderzoek tot het oordeel dat de afwatering op het door de aannemer uitgevoerde deel inderdaad gebrekkig was. Aan het verweer van de cessionaris dat de gebrekkige afwatering júist was geconstateerd op een ander deel dan waar de aannemer werkzaamheden had verricht en dat de foto’s waarop de plasvorming te zien was zien op dat andere deel, werd voorbijgegaan. De rechtbank paste vanwege de gebrekkige werkzaamheden een korting van € 33.535,- toe op het door opdrachtgever te betalen bedrag waardoor de opdrachtgever per saldo € 13.792,- teveel had betaald. Het hof Arnhem-Leeuwarden bekrachtigde het vonnis van de rechtbank.

De cessionaris is hiertegen in cassatie gegaan. In cassatie vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof, omdat het hof gezien het daartegen gevoerde verweer onvoldoende heeft gemotiveerd dat uit het deskundigenrapport voldoende blijkt dat buiten twijfel is dat de plasvorming op het door de aannemer uitgevoerde straatwerk plaatsvond en niet op een ander deel van het terrein. Daarbij was relevant dat beide partijen hebben erkend dat een tekening waarop was aangegeven waar de aannemer wel en niet had gewerkt klopte. Hiervan uitgaande is onbegrijpelijk op welke grond het hof aan het verweer voorbij is gegaan. De Hoge Raad verwijst de zaak daarom terug naar het hof ’s Hertogenbosch. Hierin is nog geen arrest gewezen, partijen weten na 8 jaar nog steeds niet waar ze staan.

Uit het verloop van deze zaak wordt in ieder geval wel weer bevestigd dat bij de vraag of ontbinding gerechtvaardigd is gekeken moet worden naar alle omstandigheden. Als blijkt dat de aannemer tekort is geschoten, wordt er een korting toegepast. Wanneer de plasvorming echter is ontstaan op een ander deel dan waar de aannemer werkzaamheden heeft verricht, is het logisch dat er geen grond voor ontbinding is en een korting niet aan de orde is.

Heeft u te maken met een wederpartij die zijn verplichtingen niet of niet goed nakomt en wilt u daar vrijblijvend advies over? Neem gerust contact op met @Farah Aarts, aarts@gdo.nl of 024-3608768.